Mijn boek en ik » Debuutroman

Twee hoofdstukken cadeau

uit de roman

'De troostende broeder'!


Marieke is de dochter van de plaatselijke bakker in het dorpje Sint-Geertruid, wat ligt in Zuid-Limburg.
Het is het jaar 1950 en het bakkersgezin heeft een heftige tijd achter de rug. Bovendien is Marieke op Bevrijdingsdag in 1945 aangerand door de dronken molenaarsknecht. De toch al verlegen vrouw zweert alle mannen af en heeft slechts één droom: onderwijzeres worden.
Om geld te verdienen gaat ze werken in de abdij op landgoed Moerslag. De monniken winnen haar vertrouwen door hun integere en open karakter, wat uiteindelijk resulteert in een onverwachte wending in het leven van de intelligente Marieke.
De rest van het verhaal vindt u in het boek dat rond september van dit jaar zal verschijnen, maar zoals gezegd: hier een tipje van de sluier!

 

HOOFDSTUK 10 Overpeinzing

"Niet alleen de rode tweeling maar ook Peter, Andreas en Frank zoeken Marieke regelmatig op: ze is dan wel aan het werk, maar het deert de heren niet. Om de één of andere onverklaarbare reden zien ze in Marieke een dankbare luisteraar: misschien komt het omdat ze in de winkel van de bakkerij altijd vriendelijk en beleefd moet zijn, en zo is ze ook in de abdij. Ze is zich er constant van bewust dat ze bij haar werkgever is en dat er van haar wordt verwacht dat ze haar werk doet. Toch is dat niet de enige reden dat Marieke altijd bescheiden en stilletjes haar werk doet. Ze heeft graag controle over de situatie en houdt niet van verrassingen. Gelukkig gebeurt er ook niet zoveel onverwachts in de abdij dus wat dat betreft heeft ze niets te vrezen. Toch valt het bij sommige bewoners van de abdij op dat Marieke zo stilletjes en behoedzaam haar werk doet.

‘Doe jij wel rustig aan Marieke? Anders heb je geen werk meer over voor vanmiddag!’, grapt Andreas. Zijn stem klinkt streng, maar de lach op zijn gezicht verraadt dat zijn opmerking slechts als grap bedoeld is. Marieke schrikt enorm en ze laat haar werkdoek uit haar handen vallen.
‘Oh sorry, neem me niet kwalijk, ik hoorde je niet aankomen!’ Marieke verontschuldigt zich terwijl zij er niets aan kon doen. Andreas slaat de handen in elkaar en zegt: ‘Och Marieke, dat komt toch niet door jou! Het is heel dom van mij dat ik zo geruisloos naderde, excuses van mij zijn beter op zijn plek. Dus het spijt me dat ik je zo liet schrikken!’
Marieke glimlacht en zegt dat het al goed is.
‘Het maakt niet uit Andreas, ik was zo in gedachten verzonken!’ Ze raapt gauw haar doek op, spoelt hem uit en maakt het raam nog eens nat. Andreas wrijft over zijn kin. Met zijn lange gedaante staat hij rijzig naast haar. Hij is wel benieuwd hoe het met haar gaat.
‘Als ik trouwens vragen mag Marieke, hoe bevalt het je tot nu toe bij ons? Kun je je weg een beetje vinden inmiddels?’ Andreas kijkt Marieke vragend aan en na een vluchtige blik van haar knikt ze instemmend.
Ze stopt even met het inzepen van het raam en ze zegt: ‘Ja hoor, dankjewel voor het vragen. Ik vind het leuk hier.’ Marieke heeft een rode kleur gekregen en gaat verder met haar werk. Het werk dat haar inmiddels plezier geeft; het werk dat haar voldoening geeft. Ze zegt, om haar eerdere antwoord nog eens te bevestigen: ‘Ik ben blij met mijn baan en hoop hier nog lang te mogen blijven.' Ze kijkt Andreas opnieuw even kort aan, maar dat voelt voor haar zo ongemakkelijk. Marieke heeft er vaak moeite mee om mensen aan te kijken en al helemaal als zij het onderwerp van gesprek is. Ze kucht zenuwachtig en doet opnieuw de lap in de emmer om het zelfde raam nog maar eens in te zepen. Ze is zich er akelig van bewust dat ze niet alleen verlegen is, ze komt ook verlegen óver. En Andreas mag dan de grappenmaker zijn, hij is van binnen geraakt door haar onzekere houding naar hem toe. Hij weet, net als Gerardus en Sjaak, wat Marieke te verduren heeft gehad in het verleden. Maar Andreas bijt nog liever zijn tong af dan dat hij daar ooit over zou beginnen met haar. Hij voelt mededogen met het meisje en realiseert zich ineens dat hij een man is, weliswaar op leeftijd, maar toch stapt hij zichtbaar bewogen een paar passen achteruit en spreekt zich tenslotte uit.
Met zachte stem zegt hij: ‘Marieke, ik wil dat je weet dat mocht er ooit iets zijn wat je dwars zit, dan kun je altijd bij mij terecht. En dat geldt ook voor Gerardus, dat weet ik zeker. Onthoud het goed, voor alles, voor wat dan ook.’
Marieke knikt driftig met haar hoofd en poetst het raam droog alsof haar leven er van af hangt.
Andreas draait zich om en loopt de moestuin in. Hij overdenkt de woorden van zojuist en heeft even tijd nodig om zich te herpakken. Hij voelt zich zelden zo onhandig als nu."

 


Een half jaar later.

(Vooraf even korte informatie over de situatie: er heerst veel onrust in de abdij. Zowel Marieke als broeder Battista hebben de abdij enkele maanden geleden verlaten omdat er een vermoeden bestaat dat Battista verliefd is op Marieke. Als dan de altijd sombere broeder Jacobus uit het leven stapt, is er de begrafenis. Iedereen is uitgenodigd en het zorgt voor een uiterst ongemakkelijke situatie.)

 

"De familie Hendriks of althans een deel ervan, loopt richting de abdij. Het kleine kasteeltje met aan de linkerzijde de aanleunende kapel, komt volop in het zicht. In de brief die moeder Fenna had voorgelezen op zaterdagavond had gestaan dat de plechtigheid plaats zal vinden in de kapel. Marieke is er wel eens binnen geweest, om er schoon te maken. Het is een mooi en intiem kapelletje en Marieke neemt dapper het voortouw door haar pas te versnellen. Ze gaat haar ouders voor; wel flink, zoals Marieke deze verdrietige aangelegenheid ter hand neemt. Kwetsbaar als ze oogt neemt ze toch beslissingen die haar zo mogelijk nog kwetsbaarder maken. Ze gaat de moeilijkheden niet uit de weg. Vader en moeder wisselen snel een blik van verstandhouding.

Vader Simon en moeder Fenna dragen hun donkere en enige kleding voor officiële gelegenheden. Vader draagt een zwart pak met een wit overhemd, wat toch enigszins sleets begint te raken. Hij droeg het voor het laatst toen zijn oudste zoon Thom met dochter Hanna trouwde, nu drie jaar geleden. Moeder draagt een grijze jurk die bijna reikt tot op de grond. Zij draagt haar haar in een strakke, nette knot en vader heeft zijn pet in de hand genomen. Er wordt al een tijdje niet meer gesproken door het drietal. Ze lopen langs de kapel naar de achterkant omdat daar de hoofdingang zit.

Marieke stapt naar binnen, zij ziet als eerste de donkerbruine houten kist. Ze schrikt even en wendt haar blik af. Dan ziet ze links van haar een lange rij donkerblauw geklede monniken staan. Oh, wat is ze blij de trappisten te zien, ondanks de nare aangelegenheid. Ze kent ze allemaal bij naam. En niet alleen dat, ze kent hun eigenaardigheden en karaktereigenschappen inmiddels. De broeder die als eerste naast de deuropening staat, is Gerardus en hij steekt beide handen uit en pakt de hand van de bakkersdochter. Hij zegt geëmotioneerd: ‘Marieke, wat bijzonder fijn dat je toch gekomen bent! En wat is het ontzettend goed om je te zien!’
Marieke heeft vrijwel meteen een brok in haar keel en fluistert bijna: ‘Gecondoleerd met het verlies van broeder Jacobus’, ze schraapt haar keel en slikt haar tranen weg. Dan knikt de grijze monnik haar vriendelijk toe en zegt: ‘Misschien spreken we elkaar nog aan de koffietafel straks.’
Marieke doet een stap opzij, broeder Gerardus laat haar hand los en hij begroet de ouders van Marieke. Hij heet hen welkom en Marieke schudt de hand van broeder Andreas. Deze begroet haar net zo hartelijk en kijkt de bakkersdochter op zijn beurt uiterst vriendelijk aan. En zo schudt ze elke trappist de hand. Bij Frank beroert ze even zijn arm met haar linkerhand, omdat hij onbedaarlijk begint te huilen als hij haar ziet.

Halverwege de lange rij kijkt Marieke even schichtig naar rechts en ziet tot haar enorme schrik broeder Battista aan het einde van de rij! Zijn voorkomen doet haar adem stokken. Marieke is in shock. Verward vergeet ze broeder Otto toe te spreken. Het lijkt alsof ineens alles langzaam gaat. Alsof ze minutenlang stilstaat bij de tweeling Otto en Ferdinand. In werkelijkheid zijn het slechts seconden, maar de plotselinge wending is niet onopgemerkt gebleven. De trappisten dragen allen hun donkerblauwe habijt, maar Battista staat daar in een net pak. Gewone burgerkledij, wat hem een heel ander uiterlijk geeft. De monnik is plotsklaps veranderd in een man. Lang en rijzig staat hij daar.

Het zweet breekt Marieke uit maar ze dwingt zichzelf de rij netjes af te maken. Alle mannen kent ze, een ieder krijgt een woordje van haar. Echter, op het laatst heeft ze een enorme kleur gekregen en ze voelt zich uiterst ongemakkelijk. Hoe moet ze dit volbrengen?
Dan, als ze dan eindelijk voor broeder Battista staat, wil ze eigenlijk wegrennen: ze kijkt hem kort aan maar wordt getroffen door zijn blik. Ze steekt haar hand uit en een slanke warme hand schudt de hare. Marieke schraapt haar keel en zegt dan zacht: ‘Broeder Battista, gecondoleerd met het verlies van uw huisgenoot en kameraad Jacobus.’ Het komt er redelijk vloeiend uit, ze heeft immers vijftien keer kunnen oefenen.

Marieke wordt in haar hart getroffen door het gelaat van broeder Battista. Zijn gezicht is ingevallen en zijn jukbeenderen zijn daardoor opvallender dan voorheen. Zijn ranke lijf draagt het sobere pak als een tweede huid en het maakt hem tegelijkertijd werelds en majestueus. Maar zijn ogen! Ze kijken vriendelijk in de hare en zijn woorden klinken donker en zacht als hij spreekt: ‘Dag Marieke, hartelijk dank dat je kon komen op deze verdrietige dag. Het is goed je te zien.’ Broeder Battista eindigt met een kort, bemoedigend knikje en Marieke voelt haar tranen branden. Ze snikt inwendig en zonder geluid.
Dan schudt vader de hand van de getinte en integere jongeman en zegt: ‘Gecondoleerd jongen. Ook veel sterkte toegewenst met alles wat op uw pad is.’ Dan laat vader de hand van de monnik los en pakt die van Marieke vast. Marieke kijkt vader vluchtig aan en ze is enorm dankbaar dat hij haar hand pakt. Het tweetal schuifelt langzaam de ruimte in en doordat Marieke een troebele blik heeft door de tranen die er tóch zijn ziet ze amper dat er achter de kist nog twee personen staan, half in de schaduw.
Daar staat de kist waar Marieke liever ver van blijft, maar dan staat moeder Fenna aan de andere kant naast haar. Ze legt een arm om de schouder van Marieke en gedrieën lopen ze richting de kist. Het gaat zo vlug, het gaat ineens vanzelf. Marieke heeft nog steeds een rood hoofd en ze voelt haar hart kloppen in haar keel. Toch gaat ze ook dit moment aan. Ze is een volwassen vrouw en dit is dan misschien moeilijk, maar het zal vast niet de laatste keer zijn om een overleden persoon te zien.

Marieke staat daar, tussen vader en moeder in. Ze ziet broeder Jacobus liggen. Hij is erg mager en heeft een witte kleur. Toch is hij goed herkenbaar als Jacobus. Meteen realiseert Marieke zich dat ze blij is dat ze toch even kijkt naar de overledene. Ze had daar tegenop gezien en liever had ze dit alles overgeslagen. Ze realiseert zich tegelijkertijd dat ze deze heftige en moeilijke gebeurtenissen maar één keer kan delen met haar naasten. Marieke kijkt nog eens goed, broeder Jacobus heeft iets kalms, iets vredigs in zijn gelaat ondanks de kaalheid en de leegte van zijn omhulsel. Het lijkt of hij zich heeft geschikt in zijn lot. Het lot dat hij zelf gekozen heeft. Het is net of hij zich heeft neergelegd bij de keuze om te sterven, letterlijk en figuurlijk. Om de dood te aanvaarden."


Blij verrast na het lezen van deze alinea's? Ga naar mijn contact pagina en schrijf u in voor de nieuwsbrief! Dan leest u het laatste nieuws als eerste!

Rating: 4.375 sterren
8 stemmen