Mijn boek en ik » Blog » En langs het tuinpad van mijn vader...

En langs het tuinpad van mijn vader...

Ik heb een hele mooie herinnering en misschien is daar wel de liefde voor het buitenleven ontstaan.

Het mooiste seizoen voor mij is toch wel de lente. Maar dat is maar een paar maanden per jaar, en met de hoge temperaturen van de laatste paar jaar rollen we ongemerkt de zomer binnen.

We gaan even terug in de tijd. Eind jaren zestig, toen ik nog geen drie turven hoog was, had ik lentes, te vergelijken met deze, en langs het tuinpad van mijn vader zag ik de hoge bomen staan. En enorme bedden van sneeuwklokjes!

Als je zo klein bent is je wereld enorm groot. Ik herinner mij onze straat, het was mijn hele leven. Naar de peuterspeelzaal ging ik niet, moeders waren toen uitsluitend moeder en het was nergens voor nodig dat ik ergens naartoe ging overdag.

Het barstte van de bedrijvigheid en er was genoeg te zien, te proeven en te ruiken. Wij hadden een kapsalon en het woonhuis was erachter. De kapsalon stond aan een druk stukkie stroatweg. We werden in één adem genoemd met de bakker, de groenteboer, de smid en een modezaak. Ik groeide er op, en er was veel om van te genieten tussen alle bedrijven door.

Want langs dat enorme tuinpad zag ik steeds die hoge bomen staan! Oh heerlijkheid der heerlijkheden. We hadden een enorme moestuin, een vierkant stuk grond. Ik was een jaar of vier, en de borders met sneeuwklokjes leken hele voetbalvelden in mijn beleving. Oh wat was het prachtig! En ik kon er altijd snoepen. Aalbessen, aardbeien, pruimen, peren, kruisbessen.

Het gekke is, als ik nu over het openbare pad loop dat langs de moestuin ligt, is het niet noemenswaardig. Het is een volkstuintje, een stukje grond met een hekje erlangs. Stelt weinig voor.

Maar toen was het in één woord verrukkelijk. En we mochten altijd plukken. Mijn oma onderhield de tuin, ik herinner me dat ze altijd laarzen droeg, en iets weg had van Klazien uut Zalk. Helaas was ze niet zo spraakzaam als Klazien, maar ze had altijd iets lekkers in huis. Haar zeep rook naar Lux, haar leverworst vond ik vies en haar gekookte eitjes waren altijd zacht. Toen werd je daar niet ziek van. En bloemen in de tuin! Oh, die dahlia’s! Alle kleuren van de regenboog. En dan de sneeuwklokjes. Wat een hoopvolle bloemetjes. Weer of geen weer, ze waren er elk voorjaar. Eigenlijk wilde ik ze allemaal plukken. En nu, als ik ze tegenkom, onder het fietsen, moet ik mij nog steeds bedwingen om ze te plukken!

Langs het grasveld, achter de woning, stonden spannende struiken, en als ik geluk had zaten daar lieveheersbeestjes. Vooral die lieveheersbeestjes waren de hemel op aarde. Waarom weet ik ook niet. Misschien door de naam, of door de stipjes die je kon tellen. Dat was een handige en educatieve bijkomstigheid.

En al die geuren! Daar kan ik eigenlijk wel een apart verhaal over schrijven. Bij de smid rook het naar aangebrand metaal en paardenpoep want paarden werden daar beslagen, ik hoor ze nog hinniken.

Mijn buurmeisje en vriendinnetje is de dochter van die ene modezaak waar nu een muziekwinkel zit. Het magazijn rook naar nieuw karton, ik verloor er eens een medaille van de avondvierdaagse. Deze had ik opgespeld maar dat is niet handig als je gaat springen tussen dozen, plastic en ander verpakkingsmateriaal. En dan de groenteboer! Verrot fruit, wespen, en altijd iets te snoepen. Ik logeerde daar wel eens, ik was er kind aan huis. En aan het eind van die wereld woonde de bakker! Als ik door het zelf bedachte achterpad liep kon ik overal komen, en ook in de bakkerij. Ik snoepte er, de knecht was altijd druk met weet ik veel wat. Het rook er altijd verrukkelijk en het had veel weg van het buitenland in mijn beleving. Waarschijnlijk omdat ze er altijd plat praatten. Ik verstond er niets van. Nu is de knecht oud, en zelf eigenaar van de winkel.

Tenslotte, en ik zou het bijna vergeten: onze kapsalon! Het rook er altijd enorm sterk, volgens mij was het shampoo. Verder waren de stoelen groot en er was een geheimzinnig luik in de vloer: als mijn vader het haar bij elkaar veegde, verdween dat in het luik. Ik vroeg me altijd af waar dit haar terechtkwam. Tot op de dag van vandaag weet ik het nog steeds niet!

Tegenover ons huis stond een enorme kerk: in mijn herinnering zag ik als kleine uk alleen maar muur, zo groot leek het. Ik mocht soms spelen bij de dochter van de dominee. Dat was best gezellig maar het was er zo netjes! Het is bij een paar keer gebleven. Wij waren destijds van een andere kerk, geen idee of dat de reden was dat het contact snel over was.

Het is gek, vroeger leek alles mogelijk. Je was overal welkom, je kon gewoon naar binnen bij iedereen. Ik werd nooit weggestuurd.

Maar de lente van nu is niet meer te vergelijken met die van toen. Nu moet iedereen direct op een terras, of op de motor: nu is iedereen de voorjaarsvakantie aan het vol plannen en nu trekken vrouwen onverantwoord korte rokjes aan! Nu wordt de caravan opgehaald uit de stalling en worden de skipakken op marktplaats verpatst want de kleur is niet meer van deze tijd. Het tempo ligt hoog, we hebben haast. Voor je het weet is het zomer en ben je bevangen door een zonnesteek want de dagen gingen te snel. Voor je het weet bloeit de heide en zijn de hortensia’s rijp om in een drijfschaal te drijven. En voor je het weet is de maand voorbij en je databundel alweer op. Weet jij het nog? Toen je langs het tuinpad van je vader liep en de sneeuwklokjes zorgden voor hoop en geluk?

Sta even stil bij jouw lente van toen! Zonder Wi-Fi, zonder marktplaats, zonder parkeerproblemen. Maar met lieveheersbeestjes en warme bakkers, die zorgden voor het buitenland, en de hemel op aarde. Want tevredenheid was normaal. Je vingers aflikken mocht toen nog. En de lente was een geschenk van God. Het is niet erg om dankbaar te zijn.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.